NL / EN
Een Oneindige Verzameling aan Beelden | essay
Over generatieve kunst, Auto-Creative art en de weergave van de wereld.

Generatieve kunst, ook wel algoritmische kunst genoemd, is een kunstvorm die in het geheel of deels wordt gecreëerd met behulp van een zelfbesturend of zelfregulerend systeem. Een dergelijk systeem is doorgaans niet menselijk of denkend maar zou, onafhankelijk van de kunstenaar, algemene kenmerken van een kunstwerk vast moeten kunnen stellen. Deze generatieve systemen worden vaak gekwalificeerd als autonoom en onvoorspelbaar. Door zelforganisatie en interacties binnen het systeem ontstaan onverwachte patronen en onregelmatigheden en een enkele keer ontstaat er zelfs een geheel nieuwe entiteit. Zogenaamde emergentie.
De term “generatieve kunst” wordt meestal gebruikt om te refereren aan digitale omgevingen waarin beelden met computers worden gegenereerd. Maar ook in meer fysieke omgevingen zijn generatieve systemen mogelijk. Denk bijvoorbeeld aan chemische en biologische processen of mechanische installaties. Er zijn veel systemen te bedenken waar onvoorspelbaar gedrag in terug is te vinden die kunstenaars als materiaal kunnen gebruiken, of naar kunnen verwijzen. In de eerste plaats is de kunstenaar gericht op de constructie van een systeem dat in staat is om onvoorspelbare gebeurtenissen te genereren. Bijvoorbeeld het schrijven van een algoritme dat bij herhaald uitvoeren tot verschillende resultaten leidt. Vertrekpunt hierbij is vaak de imitatie van een systeem uit de natuur, gebaseerd op een organisch of anorganisch proces. Daarbij plaatst de kunstenaar deze zelfregulerende systemen altijd in een begrensde ruimte, een afgesloten omgeving waarin het (digitale) materiaal wordt losgelaten. Door deze beperking krijgt de kunstenaar weliswaar meer grip op het systeem maar is het vooral de ruimte zelf die invloed uitoefent en uitkomsten bepaalt.
De vraag is nu hoe een een kunstenaar in deze onvoorspelbare systemen werkt.Wat zijn mogelijkheden en wat zijn de beperkingen? Krijgt de kunstenaar de vormen cadeau of heeft hij ze bevochten? En wanneer is het toeval of bewuste vormgeving? Het is precies dit vraagstuk dat de inhoudelijke discussie over auteurschap in de kunstpraktijk op scherp zet.

Zowel in de digitale omgeving als in fysieke opstellingen is er altijd sprake van een wisselwerking tussen verschillende niveaus van controle – de compositie – en onvoorspelbaarheid. Dit spanningsveld is de laatste tijd enorm aan het verschuiven omdat kunstenaars steeds vaker beschikken over high-end apparatuur waarmee generatieve processen sneller en makkelijker gemanipuleerd kunnen worden. Ontwikkelingen in de rekenkracht van computers bijvoorbeeld, maken het mogelijk om een proces extreem te versnellen, te vertragen of in- en uit te zoomen. Controle van materialen in hybride systemen (deels analoog, deel digitaal) vragen weliswaar wat meer van de “maker” – de persoon die het autonome systeem in werking stelt – maar met veel aandacht en geduld ontstaan ook hier steeds meer mogelijkheden om complexe systemen te sturen en manipuleren.
Hiermee is de wezenlijke vraag over het auteurschap van de kunstenaar niet uit de weg. In discussies over generatieve kunst wordt als tegenwerping gegeven dat het gedrag – of de vorm – helemaal niet zo opzienbarend is. De regels waar het gedrag uit voortvloeit zijn er tenslotte zelf door de programmeur of maker ingestopt. Bovendien is er weinig gedetailleerde kennis over de materie nodig om een hoog niveau van complexiteit te bereiken. Bij digitaal werk is deze vraag of tegenwerping nadrukkelijker aanwezig omdat daar wordt gewerkt in een door de fabrikant ontwikkelde omgeving (hardware) en met programmatuur (software) waarvan de regels en de taal min of meer vastgebeiteld zijn. Condities van die regels kunnen worden aangepast, maar de techniek, de hardware, is onveranderbaar.

Natuurlijk, de kwestie rondom het auteurschap van de kunstenaar is helemaal niet zo nieuw, maar ik vraag mij ondertussen wel af of deze überhaupt nog wel zo belangrijk is? Van kunstenaars zelf wordt vaak verwacht dat zij als een soort orakel allerlei oplossingen of antwoorden aandragen voor dit probleem. Ook als er – in het geval van generatieve kunst – overduidelijk gewerkt is in een systeem waar tijd en ruimte per definitie beperkt zijn. Alsof de capaciteiten van kunstenaars geen limiet zou kennen. Ondanks dat valt het mij op dat de eigenschappen van generatief kunstwerk altijd wel ergens als 'waar' wordt beschouwd. Dat de vergelijking met, of een poging tot imitatie van een natuurlijk proces gerechtvaardigd moet worden. De makers vinden het blijkbaar belangrijk dat het klopt wat ze doen.
Het uitgangspunt van de kunstenaar is toch anders. Die begint met de aanname dat de wereld uiteindelijk onvoorspelbaar is. En onbekend. Een kunstwerk dat vervolgens aan de hand van technische of wetenschappelijke modellen gaat uitleggen hoe de dingen zijn laat weinig ruimte voor dat onbekende. De resultaten zijn soms indrukwekkend en het is prachtig om te zien hoe verschillende modellen functioneren, maar vaak blijkt de presentatie van het kunstwerk niet meer dan een 'demonstratie' van hoe het systeem werkt. Een middel om de gebruikte technologie uit te leggen. Het uitdrukken van een nieuw perspectief blijft achterwege. Wat overblijft is een bevestiging of, wellicht, een knappe kopie van datgene wat reeds bestaat.
En toch, ondanks de beperkingen in de presentatie van autonome systemen, is het misschien wel de dichtst mogelijke relatie die tussen mens en natuur kan worden verworven. Al deze pogingen, al die beelden, je zou kunnen zeggen dat het een voortzetting is van een eeuwenoude traditie van mensen om de natuur te verbeelden. Een proces van kijken, maken, denken en verwerpen waarmee wij zoeken naar het optimale contact met de natuur. De enige manier om de onuitputtelijke rijkdom van de natuurlijke wereld te verwerken.

‘At a certain point the work takes over, is in activity beyond the detailed control of the artist, reaches a power, grace, momentum, transcendence…’
                                                                                            – Gustav Metzger –

In zijn pamflet over “Auto-Creative Art” schreef de Pools-Duitse kunstenaar Gustav Metzger (1926 – 2017) over het belang van het 'soepel' maken van materialen tijdens het werken met generatieve systemen. Hij richt zich in zijn manifesten met name op de wijze waarop technologie word gebruikt om dit te bewerkstelligen. Zijn eigen auto-creative works kenmerken zich door technische procedures te combineren met chemische experimenten. Juist deze combinatie zag Metzger als fundamenteel onderdeel van modern kunstenaarschap.
Zijn overtuiging was zo groot dat hij het belang ervan vergeleek met andere technologische ontwikkelingen uit de kunstgeschiedenis zoals perspectief, optiek of anatomie. In 1959 schreef hij: “. . .Auto-Creative art aims at the integration of art with the advances of science and technology. The immediate objective is the creation of works of art whose movements are programmed and include “self-regulation”
Maar deze doelstellingen zijn nog geen eindstadium. Het is het karakter van de kunstenaar dat bepaalt hoe gekozen technieken worden ingezet, en niet de computer. Want ondanks dat hij vooral mogelijkheden zag, stond Metzger ook kritisch tegenover het gebruik van technologie. Met name hoe de ontwikkeling van technologie invloed uitoefent op het beeld wat wij hebben van de wereld. Alsof je alleen nog maar aan de hand van een soort templatesnaar je omgeving kijkt. Ondanks zijn aandeel in de ontwikkeling van computerkunst plaatste hij zichzelf lijnrecht tegenover voorstanders van het toen nog aanstaande digitale tijdperk. 
In 1968 schreef hij over computers; ‘(computers) are becoming the most totalitarian tools ever used on society’
Hij riep kunstenaars op hun kop niet in het zand te steken. Sterker nog, hij zag een sturende rol voor kunstenaars in de ontwikkeling van technologische innovaties. Voor deze rol is weinig aandacht meer, omdat kunstenaars hun positie als gids in de samenleving nagenoeg kwijt zijn. Dat is jammer, want juist door gebruik te maken van deze positie kunnen alternatieven ontwikkeld worden en ontstaan vanzelf discussies over de wijze waarop de wereld wordt weergegeven. En dit geld natuurlijk niet alleen voor beelden. Alle mogelijkheden voor informatieverwerking, analyse- en controlemethoden moeten worden gebruikt om met de meest onverwachte en radicale voorstellen te komen. Voor Metzger was ditde verantwoordelijkheid van de kunstenaar voor zijn materiaal en de wereld – ‘the most critical topic in technological art’.

Het gebied waarin dit onverwachte of radicale voorstel wordt onderzocht kan op astronomische wijze worden vergroot als materialen kunnen vloeien en zich vrij kunnen bewegen. Zo ontstaan talloze mutaties, explosies en implosies waarmee het autonome systeem op talloze manieren kan worden ontwikkeld. De kunstenaar die bereid is zich te laten overmeesteren door deze onvoorspelbare omstandigheden moet in gelijke mate bereid zijn zichzelf uit te schakelen. Want eenmaal losgekoppeld van vooraf ingevoerde regels, binaire code of steriele omgeving, is er geen sprake meer van duidelijke verbanden of referenties en blijken plotseling ontelbare configuraties mogelijk. Configuraties die maar moeilijk gereproduceerd kunnen worden én waar mogelijk nieuwe werelden in verborgen liggen. Want is dat niet die technologische belofte waar wij zo naarstig naar zoeken? Is dat geen mogelijk antwoord op de vraag hoe wij ons moeten verhouden tot de steeds sneller groeiende digitalisering?!